Deze
bomenroute van 3 km is in 1991 aangeboden aan de Goorse VVV door de
Goorse afdeling van het Nivon ter gelegenheid van haar 65-jarig bestaan.
De wandeling is aangepast
voor rolstoelgebruikers met begeleiding.
De omschrijving wil niet meer zijn dan een beknopte
aanduiding van de soort en verspreidingsgebieden en heeft niet de
pretentie volledig en/of wetenschappelijk te zijn. Wij wensen U een
prettige en leerzame wandeling.
Een éénhuizige, bladverliezende boom. Kan in het wild tot 50
meter hoog worden. De vorm is smal, kegelvormig. Op latere leeftijd
breed koepelvormig. Inheems in Z.W.-China, veelvuldig als sierboom in
Europa aangeplant.

Herkenbaar aan de schors die in platen loslaat en gevlekte gele
en grijze kleuren kan vertonen. Lichtgroen, 5-lobbige bladeren die
esdoornachtig lijken, met lange stelen. Eénslachtige bloemen in
bolvormig hangend hoofdje. De vrouwelijke bloemen richten zich naar
onderen en breken open, waarbij honderden kleine, meestal onvruchtbare,
zaden, voorzien van pluimen, vrijkomen. De Plataan is algemeen
aangeplant op pleinen en in parken. De bloeitijd is in mei-juni.

Een altijd groene boom, zeer harsrijk, met een kegelvormige
kroon. In het wild kan deze boom tot 100 meter hoog worden. De manlijke
kegels zitten in de bladoksels aan 1 jaar oude loten. De vrouwelijke
kegels zijn meestal eindstandig aan 1 jaar oude loten. Het stuifmeel is
rijp in mei. De Douglasspar treffen we inheems aan in Noord-Amerika. In
bijna geheel Europa veelal om het hout aangeplant.

Loofverliezende boom, die tot 30 meter hoog kan groeien. De schors is
aanvankelijk glad en in repen loslatend. Oudere schors met spleten,
grijzig en bitter aromatisch. De bloemen, ca. 30 bijeen, zitten in een
15 cm lange tros. De vrucht is bolvormig, zwart-paars van kleur en
bitter, met een vrijwel ronde gladde pit. De bloeitijd is mei-juni. De
Amerikaanse Vogelkers is afkomstig uit Noord-Amerika. In Midden-Europa
aangeplant om het hout, elders als sierboom. De boom is vaak verwilderd
en kan dan een plaag zijn; vandaar de bijnaam 'Bospest'.

Een tot 30 meter hoge, éénhuizige boom met een hoge uitgebreide
kroon. De schors is grijs glad, bij oudere bomen ruw met jonge scheuten
en waterloten en sterk vertakt. De bladen zijn 9-16 cm lang, 5-lobbig en
vrij diep ingesneden. Bloemen verschijnen eerder dan bladeren en zitten
met 4 of 5 bijeen op de knoppen van de bladeren. De bloeitijd is maart.
Een Noord-Amerikaanse soort die vaak langs wegen wordt aangeplant.

Deze Iep heeft een koepelvormige kroon, jonge takken, lang en
neerhangend. Bladeren meestal met de grootste breedte boven het midden,
een meteen vrijwel rechte hoofdnerf en een tamelijk scheve voet. Een tot
30 meter hoge boom, meestal met wortel opslag. De winterknoppen zijn
eivormig, glanzend, donkerrood van kleur en enigszins donzig. De
bloeitijd is in mei. Vruchten vallen af in juli. We treffen de Gladde
Iep aan langs wegen, in hagen en boomwallen, algemeen op vochtige
plaatsen.

Een tot 70 meter hoge, kegel- tot smal zuilvormige boom met een
forse stam. De schors is glad, bij oudere bomen gegroefd, waardoor
schubben of platen ontstaan. Het stuifmeel is rijp in april. Deze spar
is inheems in N.O.-Turkije en het westelijk deel van de Kaukasus.Veel om
het hout aangeplant in Europa, ook als sierboom gekweekt.

Een wat kleine, vertakte boom met gladde, grauwe, geplooide
schors. De bladeren zijn ovaal spits en gezaagd, van onderen duidelijk
generfd. Losse neerhangende katjes (mannelijke geelachtig, vrouwelijke
groenachtig). De vrouwelijke katjes produceren de kleine nootjes met de
onmiskenbare 3-lobbige vleugeltjes. De bloeitijd is april, in mei
verschijnen de bladeren. De haagbeuk treffen we aan in hagen en
loofbossen, op goede grond.

Een tot 35 meter hoge boom, waarvan de kroon koepelvormig is,
vaak breder dan hoog. De schors is grijs, gebarsten in regelmatige
rechthoekjes, soms afschilferend en dan met een iets oranje
vlekkenpatroon. De bladeren zijn 10-15 cm lang, 5-lobbig en scherp
getand. Bloemen in hangende, 6-12 cm lange pluimen die samen met de
bladeren verschijnen. De bloeitijd is april en de vruchten zijn
gevleugeld. Deze boom is inheems in Midden- en Zuid-Europa, door
makkelijke uitzaaiing vaak verwilderd.

Een tot 25 meter hoge boom met een vrij open kroon. De schors is
aanvankelijk glad en donkerbruin, later grijs met diepe groeven en
gedraaide ribbels. De bladeren zijn 15-20 cm lang en 3- tot 10-tallig.
De bloemtrossen, 10 tot 20 cm lang, dragen zoet geurende bloemen. De
vruchten zijn peulvormig en 5-10 cm lang en kaal. Na rijping blijven zij
nog enige tijd aan de boom. De bloeitijd is juni. Deze soort is inheems
in het zuidoosten van Noord-Amerika. In Europa veel als sierboom
aangeplant en verwilderd.

Statige boom
met gladde schors die enigszins toegetakeld wordt door de knobbels op de
stam en het opschiet (zijscheuten) aan de voet. De boom wordt vaak
geteisterd door luizen die honingdauw afscheiden op de bladeren die dan
zwart worden van de schimmel. Rossige knoppen, hartvormige bladeren,
ribbelige nootachtige vruchten in een bosje bijeen en met een
zijvleugeltje aan de steel vastzittend. De bloeitijd is juni-juli en de
vruchten zijn rijp in september.

Een tot 40 meter hoge, breed koepelvormige, loofverliezende boom.
De schors is glad en grijs en soms iets ruw. De bladeren zijn 4-10 cm
lang, eivormig tot elliptisch. De bloemen zijn éénslachtig, talrijke
mannelijke bloemen, vrouwelijke bloemen zijn ingesloten door een
4-lobbig omwindsel, kort gesteeld, meestal 2 bijeen. De bloeitijd is
mei, de vruchten zijn rijp in september oktober. De beuk treffen we aan
in bossen op goed waterdoorlatende bodem, bij voorkeur kalkhoudend.

Sierlijke
boom van gemiddelde grootte, hangende takken en papierachtige
schilferende bast. De stam is ruw aan de voet. Glimmende twijgen vol
wratten. De bladen zijn ovaal toegespitst en gezaagd. Hangende gele
mannelijke katjes met windbestuiving. De vrouwelijke katjes zijn eerst
kort, geschubd en rechtopstaand, later veranderend in hangende
zaaddragende katjes die talrijke gevleugelde zaden vrijlaten. De boom
bloeit in april-mei, kort na verschijning van de bladeren.

Een kegelvormige tot 65 meter hoge boom. De schors is roodbruin
en schubbig. Vrouwelijke kegels, meestal 10-18 cm lang, cilindrisch en
bij rijpheid bruin. Het stuifmeel is rijp in mei. Deze soort treft men
aan in Noord-Europa tot de Zuidelijke-Alpen en de Balkan. Gewoonlijk om
het hout, maar ook als sierboom geplant.

Een hoge boom met olijfgroene bast met een netwerk van fijne
ribbeltjes, soms bleekgrijs. De jonge takken zijn afgeplat op de
knoppen. De knoppen zijn kegelvormig en zwart van kleur. De bladeren
zijn eirond tot langwerpig. Bloemen in een okselstandige, in omtrek
bolvormige pluim en verschijnen eerder dan de bladeren. De vrucht is 2½-5
cm lang, langwerpig tot lancetvormig en bij rijpheid bruin. De bloeitijd
is april-mei. De boom is in heel Europa te vinden, vooral op vochtige
basische bodems.

Een groenblijvende, tot 10 meter hoge boom of struik. De schors
is zilvergrijs glad, bij oudere bomen met wratten. Scherp getande
bladeren, van boven glanzend donkergroen, van onderen dofgroen. Bloemen
in groepjes bijeen in bladoksels, mannelijke en vrouwelijke op
verschillende bomen. De vrucht is een steenvrucht, bolrond en rood van
kleur. De bloeitijd is mei-juni. Groeit meestal in eiken- of
beukenbossen, ook als sierboom ter beschutting aangeplant.

Nu geen boom of struik, maar een plantengeslacht uit een grote
familie. Als sierplant die meer dan manshoog wordt, is deze soort
gekweekt en in veel zgn. Japanse Tuinen aangeplant. Daarna vaak
verwilderd. Groeien bij voorkeur op vochtige plaatsen. Bloeiwijze:
witachtige bloempjes in rijke pluimen.

Een tot 12 meter hoge boom of struik met een brede en
struikachtige kroon, soms op een korte stam. Bladeren tot 10 cm lang,
bijna cirkelrond. Mannelijke katjes tot 8 cm lang, hangend en bij het
opengaan bleekgeel. Vruchtdragende hoofdjes met 1 tot 4 noten
omwindsels, ongeveer even lang als de noot. Deze noot is 1½ tot 2 cm en
bij rijpheid bruin met een houtige schil. De bloeitijd is januari-april.
De boom treffen we in vrijwel geheel Europa aan, als hakhout in hagen en
als ondergroei in bossen, vaak aangeplant.
 
Een zeer algemeen, ca. 400 soorten tellend, geslacht van het
noordelijk halfrond. Vrijwel alle soorten kunnen in struikvorm
voorkomen, maar verscheidene Europese soorten zijn òf echte bomen, òf
groeien tot een boomvorm uit. De echte boomvormige soorten worden veel
gebruikt bij tuinaanleg. De bloeitijd is mei. De vruchten zijn eind
oktober rijp, maar nog wel geruime tijd aan de boom blijvend.

Een stevige, tot 25 meter hoge, boom, ook wel wilde kastanje
genoemd, met een enorme koepelvormige kroon. Schors grijsbruin, soms
rood aangelopen, in grote plakken barstend. Knoppen opvallend groot tot
3½ cm lang, kleverig door sterke harsafscheiding. Bladeren handvormig
samengesteld, 5- tot 7-tallig. Bloeiwijze met prachtige kandelaars van
witte, soms rode bloesem, die door bijen bestoven wordt. Grote glanzende
bruine noten in een stekelige groene schil. Afkomstig uit de bergbossen
van het Balkanschiereiland en Klein-Azië. Bloeit normaal in mei, de
vruchten zijn rijp in oktober.

Koepelvormige, loofverliezende boom tot 40 meter hoog. De schors
is fijngegroefd met verticale richels, grijs van kleur. Eikels tot 6
stuks bijeen zittend op een tot 1 cm lange steel. Bloeitijd in mei, de
vruchten zijn rijp in oktober. Een wijd verbreide, in bossen vaak
overheersende boom, vooral te vinden op lichtere gronden.

Stam meestal weinig en laag vertakt. De schors is door groeven in
smalle, verticale, lichtgrijze platen verdeeld. De bladsteel is korter
dan bij de wintereik, Eikels tot 3 bijeen op een 4 tot 8 cm lange steel.
Bloeitijd mei-juni, de vruchten zijn rijp in oktober. Groeit bij
voorkeur op een zware, weinig zure grond.

Als de gewone beuk, doch met sterk roodbruin gekleurde bladeren.

Sterk vertakte, loof verliezende struik of boom, tot 10 meter
hoog. Vaak met krachtige waterloten aan de voet van de stam. De schors
is sterk gegroefd, bruin of grijs en later kurkachtig. De takken zijn
gebogen met wit merg. Bloeiwijze: een schermvormige tros met 4 of 5
hoofdtakken, 10 tot 24 cm in diameter. De bloemen zijn sterk geurend. De
vrucht is een bolvormige steenvrucht, eerst groen, bij rijpheid zwart en
soms rood. Komt bijna overal in Europa voor, in Zuid-Europa wordt de
struik veel geteeld om de eetbare vruchten.

Een tot 35 meter hoge, breed koepelvormige, loofverliezende boom.
De schors is glad en zilverachtig grijs, bij oude bomen soms diep
gegroefd. Eikels, in het 2e jaar rijp, op een 1 cm lang stevig steeltje.
Bloeitijd: mei. De vruchten zijn rijp in oktober van het volgende jaar.
Een in het oosten van Noord-Amerika thuis horende soort. In Europa
gewoonlijk als sierboom, om het hout en als beschutting aangeplant,
zichzelf vaak uitzaaiend. Bladeren kleuren in de herfst roodbruin.

Tot 20 meter hoge boom, met een open, in grote trekken eivormige
kroon. Schors is glad tot iets geribbeld en zilvergrijs. Helderrode
vruchten met enkele steencellen in het vruchtvlees. Deze vruchten zijn
in het najaar zeer in trek bij de lijsterachtigen. Bloeitijd: mei. De
vruchten zijn rijp in september. In een groot deel van Europa voorkomend
en vaak aangeplant als sierboom langs wegen en in tuinen.

Forse boom, een gegroefde bast die in spiralen rondom de stam
loopt. De knoppen zijn eivormig, stomp en roodbruin van kleur. De
bladeren zijn 10-25 cm lang, lancetvormig. De bloemen in opgerichte
bundels en een katjesachtige bloeiwijze, worden door insecten bestoven.
De vruchten zitten in trossen van 2-3, het groene buitenste omhulsel (de
bolster) is bezet met stekels waaruit meestal 3 grote glanzend bruine
noten vrijkomen. Bloeitijd: juni-juli. Vruchten zijn rijp in
oktober-november. De tamme kastanje wordt in Z.O.-Europa, Noord-Afrika
en West-Azië vaak om de noten gekweekt.

Een tot 30 meter hoge boom met een koepelvormige, soms zeer
brede, kroon en een tamelijk korte stam. Schors grijs, glad, met flauwe
ribbels. Bladeren 10-15 cm lang, heldergroen en kaal van boven, van
onderen bleker groen en met witte haren in de oksels van de nerven.
Bloemen, pluimen 30 tot 40 bijeen, voor het verschijnen van de bladeren.
Bloeitijd: maart-april. Inheems in grote delen van Europa. Veel
aangeplant als sierboom met diverse kweekvormen.

Een op de gewone Vlier gelijkende soort, doch met fijner getande
bladeren. In tegenstelling tot de gewone Vlier zijn de vruchten van deze
soort giftig.

Een tot 6 meter hoge, sterk vertakte boom of struik, één- of
tweehuizig. Schors grijs en glad, later ondiep gegroefd en roze
aangelopen. Bladeren tot 10 cm lang. Bloeiwijze okselstandig met 3-8
groengele 4-tallige bloemen. Bloeitijd: mei-juni. In grote delen van
Europa een algemene soort.

In het algemeen een kleine boom met soms veel stammen. Bladeren
tot 8 cm lang, eirond toegespitst fijn getand. Bloeiwijze: tros
veelbloemig wit, bloemsteeltjes 3 tot 8 cm lang, rijpe vrucht van 6 mm
lengte in blauw/zwart. Vermoedelijk afkomstig uit het oosten van
Noord-Amerika. Opvallende korte bloei en schitterende rode en gouden
herfstkleuren.

Veelal een struik of kleine boom, soms echter wel 26 meter hoog.
Schors grijs of bruin met oranje strepen, takken iets hangend, aan het
eind weer omhoog groeiend. Bladeren dik, soms leerachtig; bloemen
tegelijk met de bladeren. Vruchten meestal met 4 bijeen, 5-6 cm breed,
vleugels in elkaars verlengde. Bloeitijd: april-mei. Wordt wel gekweekt
om haar fraaie herfstkleuren.

Zie nr. 1.

De benaming Pontisch wil zeggen dat deze soort Rhododendron
gesitueerd moet worden in de omgeving van de Zwarte Zee.
|